Op een prachtige zonnige zaterdagmiddag in december zijn wij als groep op pad gegaan met Arend. Het was een gevarieerde groep van 11 volwassenen en er waren ook 4 kinderen bij die hun loep en speurneus al hadden meegenomen.

 

Allereerst vertelt Arend over sporen, wat zijn nu sporen? Een prent (pootafdruk van een dier) is bij voorbeeld een (dier)spoor, maar niet alle sporen zijn prenten. Er zijn namelijk veel meer sporen te vinden, zoals loop-, vraat-, en krabsporen. Maar er zijn ook veel historische sporen te vinden, sporen uit een lang- en korter verleden te vinden. De jongelui bleken aardig wat verstand van de natuur te hebben, dus de eerste mooie gesprekken kwamen al op gang.
Terwijl wij het pad onderbraken om echt op spoortocht te gaan, werd de kinderen gevraagd om eikeldopjes te zoeken. Kabouters roken namelijk graag een pijp. In de zomer een lange pijp om de warmte van hen af te houden, in de winter een korte pijp om de warmte lekker in het gezicht te krijgen. Het steeltje van de dop geeft dus aan of het van een zomer- of wintereik is. Kijk, dat zijn de kleine weetjes waar wij het voor doen!

Het gebied waar wij lopen is drukbezocht door dieren. Reeën, dassen, vos, bunzing, ja, we vinden echt veel sporen. Een lekkere warme varen als slaapplek voor de ree, een latrine van de das en een ingang van oude vluchtpijp van een das, welke was schoongekrabd door de vos. De vos mag dit hol af en toe lenen voor een nest, maar als de das bij de burcht terugkomt dan is en blijft hij heer en meester.

We liepen verder, dieper het gebied in. Ineens vonden de kinderen een gewei op de grond. Wij kregen een korte uitleg over het schuren van reebokken langs takken en het afvallen van hun gewei in november en december. Er werd verteld over de rozenkrans en over stangen, enden en een spitser.speuren naar sporen 2025 foto Reinier Visser 01

Verderop stonden wij aan de rand van het weiland, waar wij wederom een mestputje en een vers uitgegraven hol vonden, met een prent van een ree en de vos in het losse zand.
Onderweg hier naartoe liepen wij langs een moordplek, althans, dat dachten wij te zien aan het aantal veren wat hier verspreid op de grond lag. Niets bleek minder waar, er lagen geen botten en ingewanden dus hier was de moord niet gepleegd. Dit was slechts een ‘stootplek’. Een roofvogel vliegt soms hard tegen zijn prooi (bv een duif) aan, waarbij de veren van de prooi in het rond vliegen als zijn laatste redmiddel, om hem vervolgens te verorberen op een andere plek. Hier zul je dan ook botten, bloed en ingewanden vinden.
Arend liet hier een foto zien van een eikel die gespiesd was op het prikkeldraad. Sommige vogels, zoals klapekster en grauwe klauwier, doen dit om hun prooi (muizen, hagedissen en grote kevers) te bewaren voor later, maar gaaien doen dit ook met eikels.speuren naar sporen 2025 foto Yvonne Nolles Broekhuizen 04

Onderweg naar het volgende gebied komen we langs een Amerikaanse vogelkers met een oranje stip. Als je een tak iets bekrast kun je ruiken dat dit de ‘verkeerde’ boom is. Wij vinden het ruiken naar bitterkoekjes. De Amerikaanse vogelkers is een zgn exoot, deze worden daarom vaak actief verwijderd uit het gebied vandaar die oranje stip.

We klimmen en klauteren naar de volgende plek, hier zien wij meer vlakke stukken met greppels en de jeneverbesstruiken. Deze greppels zijn nog van vroeger. De boeren verdeelden op die manier hun akkers. Iedereen wist wat van wie was. Het is best een contrast als je bedenkt dat nu iedereen hekken en prikkeldraad gebruikt, terwijl het dus ook gewoon op deze manier kan.
Wij zien mooie rendiermossen op de grond en wat groen bekermos, korstmossen zijn erg gevoelig voor luchtverontreiniging, ook zagen we nog een klein koraalzwammetje. Er zijn prachtige schatten te vinden in het mooie Junner Koeland.

Vlakbij deze plek vinden wij ook ‘bulten’ op de grond. Deze bulten zijn mierenhopen van de gele weidemier, ze hebben allemaal een soort microklimaat. Op veel van die bulten groeien bijzondere planten, hier groeit ook grote tijm, tijm ruikt heerlijk we mogen allemaal weer even snuffelen. Soms kun je op deze bulten ook de vechtanjer en de gewone vleugeltjesbloem vinden. Doordat gele weidemieren allemaal zandkorrels naar boven werken, komen daar vaak ook nog wat kalkresten bij naar boven, waardoor dit soort planten er kunnen groeien.
In de winter gaan de gele weidemieren verder de grond in, maar in de zomer leven ze iets hoger in de hoop. De bult wordt dan warm door de zon en dat vinden ze heerlijk. De gele weidemieren leven onder andere door ondergrondse wortelluizen ‘te melken’, welke op de wortels van bv grassen leven.

Aan het eind van de wandeling komen wij bij een stuk grond waar helder groen gras groeit. De aarde eronder is erg donker. Arend vraagt of iemand een idee heeft waarom hier gras kan groeien en waardoor die aarde hier zo zwart lijkt. Niemand weet het, maar hij vertelt dat dit komt doordat er nog oude houtskool resten in de grond zitten, dit is een overblijfsel van oude houtskoolmeilers die hier waren. Door de organische stoffen die achter blijven is de bodem heel anders en kan daar gras groeien.
De kinderen gaan direct op zoek en jawel, het wordt gevonden. Pikzwarte handen als een mooi resultaat.

Wij bedanken Arend voor zijn gezellige en zeer informatieve rondleiding, wij hebben ervan genoten en iedereen kan mooi nog even genieten van de ondergaande zon op deze frisse maar stralende winterdag.

verslag: Yvonne Nolles- Broekhuizen

foto's: Yvonne Nolles- Broekhuizen en Reinier Visser